Wat voorafging…
Terwijl zijn klasgenootjes nog steeds kreunen onder de terreur van kamp Alpenpracht, wordt de 12-jarige Fritz Plissken gered door een groep ninja’s van de Orde der Strijdende Alpentijgers, die in hem de Uitverkorene zien waar hun aloude Profetie het over heeft.
Aan de buitenkant zag het ninjadorp er volkomen normaal uit. Het leek niet meer dan een losse verzameling van bescheiden, ja zelfs gammele herdershutten. Allemaal erg pittoresk en vreedzaam. Maar in de bergwand waartegen het dorp leunde, hadden de Strijdende Alpentijgers een ingenieus woon- en trainingscomplex uitgehouwen.
Goed gevulde voorraadkamers, rustige slaapvertrekken, levendige eetzalen, immense oefenruimtes en een serene meditatietempel waren met elkaar én met de bovengrondse hutten verbonden via een stelsel van geheime gangen dat zo uitgebreid was, dat zelfs koning Minos met zijn labyrint er stikjaloers op zou zijn geweest.
Als Uitverkorene logeerden wij bij Antoine, de Grootmeester van de Orde der Strijdende Alpentijgers. Onze gastheer en wijzelf hadden zo onze twijfels over die status van Uitverkorene, maar het leek ons allebei beter om het spel voorlopig even mee te spelen. Ook de gezinsleden van Antoine lieten wij in de waan.
Dat gezin bestond, naast Antoine, uit zijn zachtaardige vrouw en hun drie mooie dochters die, te oordelen naar hun houding tegenover ons, er heilig van overtuigd waren dat wij de Uitverkorene waren die hen beloofd was door de Profetie. Dat de drie meisjes bovendien ongeveer onze leeftijd hadden, hielp natuurlijk ook.
« Lees meerrr… »