De Redactiehond was weer aan zijn jaarlijkse prik toe. Wij maakten een afspraak bij de dierenarts en zaten diezelfde middag al in haar wachtkamer te wachten — want dat doe je nu eenmaal in een wachtkamer — met een doodsbenauwde Redactiehond. Bevend van angst probeerde het arme beest zich te verstoppen achter onze benen en onder het bankje waar wij op zaten.
De Redactiehond heeft namelijk geen goede herinneringen aan zijn vorige bezoekjes aan de dierenarts. De dokter zelf is een reuzeaardig mens, maar ze heeft al een paar keer het overvloedige haar uit zijn oren moeten plukken. Dat is een beetje zoals op de thee gaan bij Angelina Jolie, waarbij zij plots ongevraagd uw benen haartje per haartje begint te epileren, lieve lezer.
Ook Plissken Junior was dik tegen zijn zin met ons meegekomen. Net als de Redactiehond vreesde hij voor een herhaling van die pijnlijke behandelingen uit het verleden. Wij deden ons best om hen allebei gerust te stellen. Deze keer kwamen we gewoon voor een prikje waar de Redactiehond amper iets van zou merken, verzekerden wij hen. Maar onze woorden konden niet overtuigen.
Toen zwaaide de deur van de praktijkruimte open. Wij hoorden dat er een angstscheet aan de Redactiehond ontsnapte. Helemaal ongelijk konden we hem niet geven trouwens. Was dit de nieuwe assistent die daar in de deuropening stond? Dan bekommerde de dierenarts zich niet meer om het ‘representatieve voorkomen’ van haar medewerkers. Dit was geen mens meer, maar een gedrocht.
Het wezen leek aan de kleine kant, maar dat kwam vooral door zijn vreselijk kromme rug. Zijn bochel was dusdanig groot dat zijn hoofd lager leek te hangen dan zijn nek. Eén bloeddoorlopen oog keek ons aan. Over het andere zat een ooglap. “Pliss-ss-ssken?”, siste de assistent vragend. Wij konden het beeld van een slang die zijn prooi likkebaardend monstert, niet van ons afschudden.