Wat voorafging…
In tegenstelling tot hun Superrrredactiemobiel, hebben onze drie superhelden de raketaanval overleefd. Ze staan echter nog maar net op hun benen, of daar komt de arm der wet reeds op hen af. Ook de boze menigte die de beide dienders volgt, voorspelt weinig goeds.
“Dit voorspelt weinig goeds, jongens”, waarschuwden wij Superrrjunior en Superrrredactiehond. “Laat mij maar het woord voeren.” Met de borst vooruit, de vuisten stoer in de zij en de benen op een mannelijke afstand van elkaar wachtten wij geduldig en onbevreesd de komst van de politieagenten en de boze burgers af.
Onze pose maakte indruk. De agenten hielden halt op een meter of twee verder van ons vandaan dan gangbaar was voor een normaal gesprek. “Volgens deze getuigen hier”, begon de ene agent, met zijn duim over zijn schouder wijzend naar de boze burgers achter zich, “bent u verantwoordelijk voor de enorme schade die is aangericht.”
De andere agent zei niets en keek ons onderzoekend aan. Iets aan deze twee heren in uniform deed een verre uithoek van ons geheugen kriebelen, maar we konden er de vinger niet opleggen. “Heren, en lieve mensen”, spraken wij de agenten en de menigte toe, “Wij begrijpen uw onvrede, maar ons treft geen enkele schuld.”
De ogen van de eerste agent werden iets nauwer. Ook in zijn geheugen ging iets kriebelen, zo voelden wij. “Wij deden alleen maar onze burgerplicht”, gingen wij verder. “Dr. Von Schtück had onze Redactiehond ontvoerd en tijdens onze bevrijdingsactie zette die psychopaat de grove middelen in, met name een raketwerper.”
Plots trok de eerste agent grote ogen van herkenning. “Jij bent het!”, schreeuwde hij panisch. De arme man trilde over zijn hele lijf. De handboeien en de wapenstok aan zijn riem gingen er van rammelen. “Wat is er, Jos?”, vroeg de andere agent niet-begrijpend. “Het is die gek uit het park!”, schuimbekte de agent met hoge stem terwijl hij wild graaide naar zijn vervaarlijk groot ogende bus pepperspray.