Met een argwanende blik sloeg de schrijver het gammele witte bestelbusje gade dat net de straat was ingereden. Wat moest zo’n vuil en gedeukt geval in een nette straat als deze, vroeg hij zich af. Tot zijn lichte verwondering kwam het voertuig tot stilstand ter hoogte van het pand waarin ook het redactielokaal was gevestigd.
Een verre van jeugdig manspersoon verliet zijn plaats aan het stuur en verscheen in het straatbeeld, dat terstond een tikkeltje minder harmonieus leek. In zijn handen hield hij een bruin pakket. De schrijver vroeg zich af of dit misschien het pakket was waarnaar hij al een hele tijd zat te verlangen.
Vol jeugdig enthousiasme dartelde hij de trap af. Nog voor de man met het pakket kon aanbellen — de schrijver hield er niet van dat wildvreemden met hun ongewassen vingers zijn deurbel beroerden — opende de schrijver de deur. Dit leek de man met het pakket niet te verrassen.
Nochtans keken de meeste bezoekers lichtjes verschrikt op wanneer de schrijver onverwachts de deur opende luttele seconden voor de nietsvermoedende bezoeker voorvermelde deur had bereikt — een reactie waaraan de schrijver een zeer mild edoch welhaast kinderlijk genoegen beleefde.
Op een andere dag had de schrijver zich misschien de vraag gesteld of dit uitblijven van een verraste gelaatsuitdrukking te wijten was aan routine of een algeheel gebrek aan interesse in de wereld van ’s manswege.
Maar vandaag dus niet. Na het uitwisselen van de gebruikelijke beleefdheidsformules keerde de man — nu uiteraard zonder het pakket — terug naar zijn bestelbusje. Met een krachtige ruk maar ook met de nodige voorzorg ter preventie van die vervelende snijwondjes die papierwaren kunnen veroorzaken, opende de schrijver het pakket. Een gelukzalige glimlach marcheerde fluks over zijn gezicht. Jawel, Adalbert was er!
