Wat voorafging…
Om de zware fysieke ontberingen en vooral de amoureuze toenaderingspogingen van hun tirannieke instructrice te ontvluchten, besluiten de 12-jarige Fritz Plissken en zijn klasgenootjes te ontsnappen uit kamp Alpenpracht.
Rondom barak 13 heerste de stikdonkere nacht. Hoe wij ook met half toegeknepen ogen door het opengeschoven raam in de duisternis tuurden, wij konden geen levend wezen zien. Maar wij wisten dat deze doodse stilte bedrieglijk was. Want ergens in die zwarte zee van leegheid zwierven onze bewakers en hun wolfshonden rond.
In de loop der jaren hadden zij een extra zintuig voor ontsnappende kinderen ontwikkeld. Vanuit het niets besprongen zij hun onfortuinlijke slachtoffertjes, net wanneer die de zoete geur van de vrijheid dachten te ruiken. Wat er daarna gebeurde, wist niemand. Maar wij konden er ons een hoop bij voorstellen.
Nu wij op het punt stonden om deze duistere wereld van onzekerheid te betreden, raasde er een storm van twijfels door ons hoofd. Ja, het leven in kamp Alpenpracht was onmenselijk hard. Maar was dat echt erger dan in het donker betrapt worden door de bewakers en hun wolfshonden met hun rode ogen en vlijmscherpe witte tanden?
Toen kregen wij echter het weerzinwekkende beeld voor ogen van Gertrude die met haar imposante lichaam boven ons uittorende en ons met hese stem toefluisterde dat ze een echte vent van ons zou maken. Een rilling liep over onze rug en dat was heus niet alleen omdat er ijskoude lucht door het open raam naar binnen waaide.
Wij trokken de kraag van ons skipak nog wat hoger en stapten door het raam naar buiten. De sneeuw kraakte onder onze voeten. Het geluid klonk erg hard in onze oren en wij waren niet zeker of dat alleen maar te wijten was aan onze gierende zenuwen. Hoe goed was het gehoor van zo’n wolfshond, vroegen wij ons bang af.
De angst verstijfde onze spieren en als we niet gauw in beweging kwamen, zou de kou de rest wel doen. Dan zouden de bewakers de volgende ochtend enkele bevroren kinderlijkjes onder het openstaande raam vinden. En wie weet wat voor heiligschennende dingen ze uit wraak zouden uithalen met ons dode lichaam.
Een voordierlijk gebrul schudde ons bruusk wakker uit onze angsthazerij. Een bewaker sloeg met luide keel alarm! Wij hoorden hoe zijn collega’s hem vloekend en tierend te hulp schoten. Het hartverlammende gehuil van de wolfshonden sneed door de nachtelijke hemel. Was onze ontsnappingspoging nu al ontdekt?
Maar net voor wij in onze broek plasten van schrik, merkte de stem van de ratio in ons hoofd op dat de geluiden zich niet in onze richting bewogen. “Ze lopen naar barak 11!”, zeiden wij opgewonden tegen onze klasgenootjes, die de stem van de ratio niet tijdig hadden gehoord, te oordelen naar de natte vlek in hun broek.
“De meisjes proberen ook te ontsnappen. Dit is onze kans! We moeten van de verwarring gebruik maken om zelf ongezien weg te komen”, spraken wij onze klasgenootjes flink toe, want wij hadden onze moed en onze zelfbeheersing herwonnen. Dappere Daan en klasgenootje R. waren de volgende die door het raam klauterden.
Maar nog voor de anderen naar buiten konden komen, zwaaide de deur van onze slaapzaal reeds open. “Deze ellendige slapjanussen ook al!”, schreeuwde Gertrude. Wij aarzelden geen seconde en gingen er met zijn drieën als een speer vandoor. De pechvogels die nog binnen stonden, plasten een tweede keer in hun broek.
De verwarring in kamp Alpenpracht was compleet. De bewakers hadden hun handen vol — en de wolfshonden een vette kluif — aan alle gillende kinderen die nu ook uit de andere barakken probeerden te ontsnappen. Maar onze beschermengelen deden hun onzichtbare werk goed en zo bereikten wij heelhuids de poort.
Hier dreigde ons geluk echter te keren, want de poort werd natuurlijk bewaakt. “Halt!”, sprak de wacht streng, “Waar gaat dat heen zo gehaast?” Over dit onderdeel hadden wij niet goed nagedacht, maar in een moment van goddelijke inspiratie jokten wij: “Wij moeten van Gertrude drie keer door het bos joggen.”
“Een prima idee!”, brulde de wacht ons met zijn vieze adem toe. “En loop nog maar een extra rondje, want je hebt me niet aangesproken met meneer, brutale vlegel”, bromde hij terwijl hij kreunend de poort voor ons opende. “Ja meneer, sorry meneer”, waren onze laatste woorden voor wij kamp Alpenpracht uitrenden.