Fritz houdt niet van wintersport (deel 8)

Wat voorafging…
Overmoedig geworden door het succes van hun eerste raids op de patrouilles van kamp Alpenpracht, plant de 12-jarige Fritz Plissken een actie die slecht afloopt. Ternauwernood wordt hij uit de begerige klauwen van Gertrude bevrijd door Grootmeester Antoine, die zichzelf opoffert om de Uitverkorene te redden.

Een dikke traan rolde over Keko’s wang naar beneden, bereikte haar snoezige kin en viel in de kop groene thee die Keko ons net wou aanbieden. “O, nu verknoei ik ook nog je thee”, jammerde het meisje. “Ach, één traantje, dat proef ik toch niet”, susten wij terwijl we de dampende kop dankbaar in ontvangst namen.

“Ik mag niet huilen!”, probeerde Keko zich met gebalde vuisten flink te houden, “Dat zou vader niet hebben gewild. Ik moet me een waardige dochter van de Grootmeester tonen.” De gedachte aan haar vader werd haar echter te veel, waardoor ze haar tranen de vrije loop liet. Wij hielden onze thee wat verder van haar af.

Er leek geen einde te komen aan Keko’s tranenvloed en wij schuifelden ongemakkelijk heen en weer op het slaapmatje waarop de ninja’s ons bewusteloos hadden neergelegd toen we weer veilig in het dorp waren aangekomen. Wij voelden ons verantwoordelijk voor Keko’s verdriet en dat was geen prettig gevoel.

Meteen nadat wij uit onze koortsige slaap waren ontwaakt, had Keko ons hortend en snikkend verteld hoe Antoine, de Grootmeester van de Orde der Strijdende Alpentijgers én haar vader, ons met gevaar voor eigen leven had gered uit de versmachtende wurggreep van Gertrude, het knapenschendende monster van kamp Alpenpracht.

De ninja’s waren er in geslaagd om te ontsnappen en ons naar hun geheime bergvesting te dragen. Maar Antoine zelf was in handen van de patrouille gevallen. Keko’s stem had getrild van woede toen ze vertelde hoe de ninja’s hadden gehoord dat Antoine door zijn beulen werd afgetuigd alvorens ze hem afvoerden naar het kamp.

“Het spijt me, lieve Keko”, zeiden wij met een stem die vervormd werd door de brok in onze keel. Met een betraand gezicht keek Keko ons aan. “Lieve Fritz, het is jouw schuld niet. Ik weet zeker dat vader zich vereerd voelt dat hij de Uitverkorene heeft mogen redden.” Waarop zij zich in onze armen stortte en verder huilde.

Na een tijd ging het huilen over in snikken en viel Keko in slaap. Toen wij haar zachtjes hoorden snurken, legden wij haar voorzichtig neer op ons slaapmatje en gingen wij naar buiten. Daar werden wij opgewacht door Kiku, Keko’s oudere zus. Ook zij had zichtbaar al veel gehuild en ook zij zocht troost in onze armen.

Wij wandelden samen naar de meditatietempel en gingen achter het Boeddhabeeld zitten, waar het heerlijk rustig was. Wij sloegen een arm om Kiku heen en zij vlijde haar hoofd tegen onze borst. Wij streelden haar lange zwarte haar, dat zoals altijd lichtjes naar lotusbloemen rook. De buitenwereld leek even niet te bestaan.

Kiku zuchtte diep. “O Fritz, hoe moet het nu verder met ons?” “Euh,” stamelden wij, “ik vind je erg lief en…” Kiku giechelde. “Nee, ik bedoel met het dorp en de Orde. En met vader.” Het enige wat wij daar blozend op antwoordden, was: “Oh…” Maar na een korte stilte voegden wij er ernstig aan toe: “Ik zal je vader bevrijden.”

“Erg zeker klinkt u, meester Plissken”, sprak plots een oude stem achter ons. Kiku en wij veerden allebei tegelijk op. Deels van het schrikken en deels omdat we ons betrapt voelden. Alsof hij onze gedachten kon raden, lag er een geamuseerde glimlach op het diep gerimpelde gezicht van Dajo, de wijze dorpsoudste.

“Meester Dajo”, zeiden wij terwijl we zochten naar een zinnige reactie, die helaas maar niet kwam. We zagen er blijkbaar erg grappig uit zoals we daar beteuterd stonden te kijken, want het kleine kale mannetje met zijn vreemde spitse oren kon zijn lach niet meer inhouden. Kiku gaf ons snel een kus op de wang en verdween.

“Het spijt me dat ik uw meditatie heb verstoord, meester Plissken”, zei Dajo toen hij uitgelachen was. “U wilt dus de Grootmeester bevrijden?” Wij knikten bevestigend. “Vele gevaren liggen op dat pad”, waarschuwde de oude man. “Geen berg is de Uitverkorene te hoog”, probeerden wij stoer en filosofisch.

Dajo lachte fijntjes en keek ons dan doordringend aan. “Gertrude confronteren moet u. Dan pas zult u de Uitverkorene zijn.” Wij onderdrukten de koude rilling die over onze rug liep en zeiden zo dapper als we konden: “Ik ben niet bang.” Dajo boog naar voren en fluisterde: “Dat komt nog wel, meester Plissken. Dat komt nog wel…”

Verward en met een hoofd vol vragen liepen wij naar het dorpsplein. Daar troffen wij Kiki aan, Antoines jongste dochter. Net als haar twee oudere zussen viel ook zij ons in de armen. “Fritz, ik maak me zo’n zorgen over papa”, zei ze terwijl ze ons als een bang konijntje stevig vasthield, “Wat moeten we toch doen?”

Het viel ons op dat iedereen op het plein plots gespannen bleef stilstaan, nadat de kleine Kiki die vraag had gesteld. De dorpelingen waren stuurloos zonder hun Grootmeester en keken nu onzeker naar ons. Wij gaven Kiki een kus op haar hoofd en zeiden, luid genoeg zodat iedereen het kon horen: “Vannacht vallen we het kamp aan.”

Wordt vervolgd…