Fritz tekent een ridderroman

Op de top van de groene heuvel lag het Slot Lieverlee majestueus te schitteren in de gouden gloed van de ondergaande avondzon. Reeds vele generaties hadden de imposante kasteelmuren de storm des tijds weten te doorstaan. Menig geweldenaar had in het zand gebeten aan de voet van deze burcht.

In het noorden, waar de Bergen van Woestland zich tegen de horizon aftekenden, verscheen een eenzame ruiter. Het was Ridder Roemrijk, die terugkeerde van een bloedige veldslag tegen de Ongeschoren Barbaren van het Noorden. Hij hield halt om zijn ogen te laven aan het zicht op Slot Lieverlee.

Toen zijn ogen voldoende gelaafd waren, sloot Ridder Roemrijk ze even. Hij stelde zich Vrouwe Liselotte in haar torenkamer voor. Zij zou zich rond deze tijd wel zedig zitten op te maken voor de nacht, bedacht hij. In zijn hart brandde het verlangen om haar in zijn armen te sluiten.


Maar een laatste obstakel scheidde Ridder Roemrijk van de tedere omhelzingen van Vrouwe Liselotte. Want het woud dat dreigend en duister voor hem opdoemde, zat barstensvol boevengespuis. Dit gewetenloze uitschot beroofde elkeen van have en goed, en vaker dan regelmatig ook van zijn leven.

Ridder Roemrijk zag de vermaledijde struikrovers niet, want zij zaten goed verscholen. Maar hij kon hun gluiperige oogjes voelen, terwijl zij hun vette prooi monsterden. Ridder Roemrijk wist dat hij in zijn eentje geen schijn van kans maakte, maar toch wilde hij zo snel mogelijk naar Slot Lieverlee.

Wordt vervolgd…